maretak

Alle berichten die maretak zijn getagd

Heksenkruiden en magische planten – deel 2

Gepubliceerd 30 oktober 2015 door lynnenkavita

Hallo, vandaag zet ik deel twee van de Heksenkruiden en magische planten als mijn laatste artikel. Ik heb gekozen voor de magische plant maretak en de heksenkruiden monnikskap, kerstroos, bitterzoet, doornappel en ja, zelfs de peterselie! Veel leesplezier!

De maretak

marretak

De maretak wordt ook wel mistel of mistletoe in het Engels genoemd en is van oudsher al een magische plant. Het eerste deel van de naam, maar, staat wellicht voor ‘boze geest’. In de Griekse mythologie is de maretak de magische tak met behulp waarvan Persephone, de heerseres over het dodenrijk, en de zielenbegeleidende Hermes de poort naar de Onderwereld openen. De maretak zou ook genezende krachten bezitten, Plinius vermeldde dat de maretak vooral tegen duizeligheid en epilepsie werd gebruikt. Ook in de middeleeuwen werd de maretak gebruikt voor medicinale doeleinden. In de Noord-Germaanse mythologie wordt de maretak met dood en ongeluk verbonden en speelde het een rol in de offerriten. De maretak komt namelijk voor in de mythe rond Balder, de zoon van Frigg. Frigg liet alle elementen, van stenen over planten tot dieren, een eed afleggen waarbij ze moesten beloven dat ze haar zoon nooit zouden kwetsen. Alleen de maretak liet ze ongemoeid, omdat die haar zo onschuldig leek. Loki, een duistere god die jaloers was op Balder, ontdekte dit geheim. Toen Frigg iedereen het verheugde nieuws bracht, schoten ze overmoedig alle pijlen en speren op de naar men dacht onkwetsbare Balder. Zijn broer kon echtet niet meedoen omdat hij blind was, maar Loki gaf hem een tak van de maretak in de handen en wees hem de richting aan naar waar hij moest schieten. Direct stortte Balder neer. Vroeger maakte men van maretakbessen vogellijm om vogels te vangen. De Keltische druïden noemden de maretak de ‘alles genezende’ en geloofden dat hij rechtstreeks uit de hemel op de takken van de boom was gevallen. Ze snoeiden de plant in de winter als symbool van de hernieuwde bezieling van de zonnekracht. Maretakken op eiken zijn zeer zeldzaam en waren voor de Kelten bijzonder heilig en geneeskrachtig. Op de zesde dag na een nieuwe maan in de winter voerden de druïden een ceremonie uit om de maretak te oogsten. De maretak werd dan gebruikt om er een drank van te maken die onvruchtbare dieren vruchtbaar zou maken en alle vergiften en ziekten zou afweren of genezen. Er wordt gezegd dat de druïden tijdens deze ceremonie witte gewaden droegen en een gouden sikkel gebruikten om de maretak af te snijden, maar dit wordt door tegenwoordig betwist door wetenschappers. Er is namelijk maar een verwijzing naar de witte gewaden die de druïden zouden gedragen hebben en men denkt dat de sikkel eerder van zilver zou zijn geweest, omdat er ook een verband was met de maan. In later eeuwen werd de maretak gebruikt als afweermiddel tegen toverij en spoken. Om de hals gehangen als amulet zou het beschermen tegen toverij en spoken. In huis of in stal opgehangen maretak zou mens en vee tegen heksen beschermen. In Scandinavië gold de mistel als effectief middel om paarden tegen mara’s te beschermen (zie mijn artikel over de Strix en de mara’s). De maretak zou ook dieven verjagen, sloten opblazen en schatten aanwijzen.

De monnikskap

blauwe monikskap

Vermoed wordt dat met de akoniton uit de Oudheid de blauwe monnikskap wordt bedoeld. Deze toverplant zou volgens een mythe zijn ontstaan uit het speeksel van Cerberus, de driekoppige hond uit de Onderwereld (zie mijn artikel over mythologische wezens uit de Fantasyweken). De plant zou ook gebruikt zijn door de Griekse mythologische toverheks Medea. De blauwe monnikskap is zeer giftig en heeft enkele moorden op zijn geweten, zoals de moord op de Romeinse keizer Claudius (54 n. Chr.) en die op paus Hadrianus VI (1523). De Aartshertog Ferdinand voerde in 1561 een gruwelijk experiment uit met blauwe monnikskap. Hij dacht dat hij een poeder bezat die tegen alle vergiften werkte en wilde testen of dat ook voor de monnikskap gold. Hij liet een jongen die ter dood was veroordeeld wegens diefstal de blauwe monnikskap opeten – hem werd vernietiging van het doodsvonnis beloofd mocht hij het overleven. De jongen stierf echter een pijnlijke dood na een lijdensweg van krampen, braken en koude- en hittevlagen, ondanks hij het wonderpoeder had gekregen.

 

Van wattereppe, monnikskap, populiersknoppen en roet samen met olie zou een van de eenvoudigere heksenzalven bereid zijn geweest. Verschillende schrijvers vermoeden dat vooral monnikskap verantwoordelijk was voor het idee van de metamorfose in een dier. De werkzame stoffen in het kruid kunnen de zenuweinden in de huid prikkelen, waardoor men het gevoel krijgt een vacht of verenkleed te dragen. Op sommige plaatsen gebruikte men de plant voor liefdesbetoveringen In China werden andere en onschadelijkere Aconitumsoorten verwerkt tot afrodisiaca en verjongensmiddelen. De monnikskap wordt zeer gevreesd en op sommige plaatsen dacht men zelfs dat alleen al door het ruiken aan de plant de neus opzwol.

De kerstroos

kerstroos

De kerstroos werd al in de Oudheid hogelijk gewaardeerd en wordt ook genoemd als mogelijke kandidaat voor de moly van de Griekse mythologische heks Circe. Plinius schreef dat de Kelten het sap van de kerstroos op hun jachtsperen en –pijlen smeerden omdat ze geloofden dat het vlees er malser van werd. Ze sneden de dodelijke wond wel royaal uit om zichzelf niet in gevaar te brengen. De plant is omgeven met sagen en legenden. Een negentiende-eeuwse sage laat de bloem een lieftallig meisje zijn, dat door de Germaanse godin Freya uit medelijden betoverd is. Verstoten door haar vader doolt het meisje namelijk in de bittere kou en sneeuw rond. De kerstroos of zwarte nieswortel wordt sinds de twaalfde eeuw in tuinen gekweekt. Hildegard von Bingen (een kloosterlinge die veel van kruiden wist) beveelt het aan tegen jicht, koorts, uitslag en geelzucht. De wortelstok werd gebruikt voor het bevorderen van de menstruatie en miskramen (wat gevaarlijk was!). Sinds de Oudheid vormde een wortelafkooksel van de kerstroos een middel tegen geestesziekten. De ziener Melampus zou de de door de god Dionysus bezeten vrouwen nieswortel in geitenmelk gegeven hebben om de kwalijke symptomen te bestrijden. Ook zou het gebruikt zijn bij mensen met verarmingswaanzin. In de vroeg Nieuwe Tijd (tijdens de heksenvervolgingen dus) was de kerstroos vanwege haar narcotische eigenschappen in menig recept voor heksenzalf aanwezig.

 

De peterselie

Petersilie

Peterselie werd wellicht door de Romeinen over de Alpen gebracht en werd naast als keukenkruid (gebruikt door zowel de rijken als de armen) gebruikt ter bevordering van de urinelozing en spijsvertering en bij blaasstenen. Bij het zaaien van peterselie moest de huisvrouw lachen volgens verschillende streken. In Beneden-Franken moest het juist woedend gezaaid worden, want dan zou peterselie goed gedijen. Peterselie was goed als afrodisiacale plant. Het kruid werd anderzijds ook als voorbehoedsmiddel gebruikt, door de meisjes en vrouwen uiteraard. Voorts werd peterselie als gevaarlijk abortivum gebruikt. In sommige gevallen stierven de vrouwen er zelfs van. Hoewel peterselie geen bedwelmende werking heeft, vormde ze als plant waaraan afrodisiacale eigenschappen toegeschreven werden een ingerediënt van menig recept voor heksenzalf: de plant werd met de duivel geassocieerd. Zo noemde de duivel zich in heksenprocessen in Frankrijk ook ‘Maitre Persil’ en in Duitsland ‘Peterling’. Het was immers de duivel die, volgens de heksenjagers, vrouwen tot seksuele excessen verleidde en ook gemeenschap met hen had (zie artikel Heksenvervolgingen van Lynn). Het was ook de duivel die heksen hun kennis van anticonceptionele en abortieve planten ingaf, dacht men. Met peterselie kon voorts zwarte magie bedreven worden: wanneer men een uit de grond getrokken plant opnieuw plant en daarbij aan een bepaalde persoon denkt, wordt de laatste ziek en sterft. Anderzijds werd peterselie ook gebruikt om boze geesten af te weren.

De bitterzoet

bitterzoet

Bitterzoet en de zwarte nachtschade zijn uiterst giftige planten. De zwarte nachtschade wordt wel de eigenlijke heksenplant genoemd, en het wordt dan ook aangetroffen in heksenzalven. In de derde sarcofaag van de Egyptische farao Toetanchamon zijn de gedroogde vruchten van de bitterzoet gevonden. Van bitterzoet of de zwarte nachtschade zou volgens Plinius Thessalische tovenaars een drank hebben gemaakt die ontuchtige begeerte wekte en gestalten en beelden opriep (hallucinaties dus). De zwarte nachtschade zou goed zijn bij hartzwakte, kiespijn, gezwollen voeten en klachten in de benen. De stengel van bitterzoet werd in vroeger tijden op sommige plaatsen door kinderen gebruikt als zoethout, maar dat is gevaarlijk vanwege de giftigheid van de plant. Alle nachtschaden zouden volgens een wetenschapper echte ‘Germaanse’ kruiden zijn. De naam nachtschade zou komen van het feit dat de Germanen het kruid gebruikten tegen de ziekte ‘nachtschade’ die pijn, onrust, beklemming en bedrukkende dromen in de nacht veroorzaakte. De positieve werking van de plant schreef men vroeger toe aan een in de plant levende elfendemon met nog grotere toverkracht. Zowel de plantendemon als de ziektedemon kan aanleiding hebben gegeven tot benamingen als alfrank en elfsrank voor de bitterzoet. Men legde de plant bij kinderen in de wieg of hing haar om hun hals om hen te beschermen tegen schadelijke geesten en betoveringen. Bij kortademigheid en hijgen werd het kruid ook om de hals van vee gehangen. Zo tonen de zwarte en bitterzoete nachtschade zoals alle heksenkruiden een dubbel gezicht: gevaarlijk vanwege hun giftigheid, maar als er met verstand en kennis gebruik van wordt gemaakt kan het ook goeddoen en helpen.

De doornappel

doornappel

De doornappel is geen inheemse plant, maar wel sinds lange tijd ingeburgerd. Vroeger werd beweerd dat de doornappel in de middeleeuwen door zigeuners uit India naar Europa werd gebracht. Tegenwoordig denkt men dat de plant uit Mexico stamt. Vooral in Oost-Europa gebruikte men de doornappel voor medische doeleinden. Men rookte het kruid bijvoorbeeld tegen kiespijn of gebruikte de verse bladeren bij verbrandingen. In China en India en ook bij de indianen worden doornappelsoorten gebruikt voor culturele, medische en afrodisiacale doeleinden. Net zoals bilzekruid (zie Heksenkruiden en magische planten – deel 1 van Lynn) werd doornappel in Midden-Europa en ook in China aan bier toegevoegd om de bedwelmende effecten te versterken. Het werd ook gebruikt om vrouwen liefdeslustig en gewillig te maken of om mensen te verdoven om dan hun huis leeg te plunderen. Vanwege zijn bedwelmende, hallucinerende en ook vliegwaanopwekkende werking was de doornappel een van de ingrediënten van heksenzalven. Bij de zigeuners waren de zaden vooral nuttig en bij de Sinti-zigeuners zouden genees- en toverkrachtige vrouwen deze zaden permanent in een buideltje bij zich gedragen hebben. Ze schreven er genezende en toverkrachten aan toe. Zo zou men op een berg moeten gaan staan, de zaden achter zich gooien en zoveel mogelijk eten als men kan om chronische hoofdpijn te verlichten. Bovendien gebruikte de Sinti de doornappel als orakel: kiemt het zaad vroeg in het jaar, dan volgt er een droge zomer. De Noord-Hongaarse zigeuners gebruikten doornappelkorrels bij het nemen van moeilijke beslissingen.

Hier nog een echt Halloweenliedje: Thriller – Michael Jackson :

Bron: Heksenkruiden en toverplanten
Auteur: Gertrud Scherf
Uitgegeven door Deltas (2003)

Bronnen afbeeldingen:
http://koken.vtm.be/ingredienten/peterselie
https://waashaas.wordpress.com/2011/03/04/069-maretak-en-meervalkarkas/
http://www.imkerpedia.nl/wiki/index.php/Blauwe_monnikskap
https://www.ivn.nl/node/57913
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bitterzoet
https://www.kuleuven-kulak.be/kulakbiocampus/images/buiten-kulak/lage_planten/Datura%20stramonium%20-%20Doornappel/

 

Kavita

 

 

Yule – Kerstmis: heidense oorsprong, kerstboom, maretak en hulst en andere levensbeschouwingen

Gepubliceerd 18 december 2014 door lynnenkavita

yule1181 (Bron: https://littleheksje.wordpress.com/2011/12/10/yule-midwinter-21-december/)
Binnenkort is het weer Kerstmis! Hoewel het tegenwoordig een echt familiefeest is en voor weinigen het nog met religie te maken heeft, weten we best dat volgens de katholieke godsdienst op 25 december Jezus zou geboren zijn. Maar misschien weten jullie niet dat ook Kerstmis, dat lijkt gek, een heidense oorsprong heeft. Tegenwoordig kennen de wicca’s en de andere moderne heidenen het als Yule, de Engelse benaming voor het Germaanse joelfeest. In Engeland wordt het kerstfeest overigens nog vaak zo genoemd. Anderzijds waren de Germanen niet de enige die rond deze periode van het jaar winterfeesten hielden, maar ook bijvoorbeeld de Romeinen en de Mesopotamiërs.
Straks kom je alles te weten over de Romeinse Saturnalia – zo werden hun (mid)winterfeesten genoemd – en het Germaanse joelfeest, verder kom je nog te weten waar de kerstboom vandaan komt en wat de maretak en de hulst met Kerstmis te maken hebben en nemen we een kijkje in andere levensbeschouwingen. Maar eerst hebben we het over de winterzonnewende, die de basis is van alle (mid)winterfeesten uit ons heidens verleden.

Winterzonnewende

De winterzonnewendefeesten zijn van alle tijden en culturen, wat blijkt uit het feit dat reeds in de steentijd de mens de winterzonnewende gadesloeg in hun megalithische bouwwerken. Naast de Saturnalia bij de Romeinen en het Germaanse joelfeest, kende men vroeger het Kronosfeest bij de Grieken, de Mithrasviering in het oude Perzië en de Saccaeo in Mesopotamië. De Latijnse benaming voor winterzonnewende is solstitium, wat letterlijk ‘zonnestilstand’ betekent. Dat duidt op het feit dat de zon gedurende een aantal dagen niet hoger of lager gaat en ter plaatse blijft talmen. Het Middelhoogduitse woord sunnenwende verwijst dan weer naar het verschijnsel dat de zon na die korte stilstand omwendt en weer de andere kant uitgaat. De winterzonnewende wordt ook gebruikt om de kortste dag van het jaar aan te duiden, die tegenwoordig zo rond 21 à 22 december plaatsvindt, en wordt ook wel midwinter genoemd. Ook het woord joel wordt in die context gebruikt. Men is over de herkomst van dit woord niet eens, maar men denkt dat het waarschijnlijk ‘wiel’ wil betekenen, dat dan weer zou duiden op de zon die na het wintersolstitium weer in beweging komt. Het wiel is namelijk al van oudsher het symbool voor de zon.

De Romeinse Saturnalia

De winterzonnewende werd bij de Romeinen gevierd op 25 december en was een zeer groot feest. Het Romeinse Rijk vierde dan de Saturnalia en dat van 17 tot 24 december. De Saturnalia stonden in het teken van de Romeinse god van de rijkdom en de oogst: Saturnus. Zijn naam is vermoedelijk afgeleid van satum, ‘het gezaaide’, en verwijst eveneens naar saturare, ‘in overvloed schenken’. De Saturnalia waren een feest dat oorspronkelijk van de Grieken kwam, maar zoals met zoveel dingen hebben de Romeinen deze overgenomen en hun eigen ding van gemaakt. De Romeinen begonnen Saturnus gelijk te stellen met de Griekse god Kronos, die symbool stond voor de tijd en de dood. Maar aanvankelijk was Saturnus eigenlijk geenszins het evenbeeld van de dood, maar eerder dat van de levenskracht die de dood overwint.
De Saturnalia herinnerden de mensen eraan dat Saturnus nog onder de mensen was en het was een tijd van vrijheid en gelijkheid. Het was dan ook om die reden dat tijdens de Saturnalia geen onderscheid werd gemaakt tussen slaven en hun meesters. In sommige gevallen waren de slaven soms voor één dag de meerdere en werden ze door hun meesters bediend aan een overvloedige tafel vol met lekkers. Men koos ook een koning der wanorde: een slaaf die moest dienen als heerser en gangmaker van het feest. Hij zat aan het hoofd van de tafel en kreeg allerlei voedsel, drank en vrouwelijk gezelschap. Helaas was die dag van korte heerschappij ook tevens zijn laatste dag: de slaaf werd hierna namelijk geofferd.

Om Saturnus welwillend te zijn en in de hoop dat hij het komende jaar een goede oogst zou schenken werden de feesttafels tijdens de Saturnalia overladen met voedsel en drank. Er werd niet gewerkt, zodat men zich kon overgeven aan eten, drinken, dansen en lachen. Bovendien waren dingen zoals gokken plots wel aanvaardbaar. Huizen werden versierd met groene takken en men gaf elkaar geschenken, zoals aardewerken beeldjes, waskaarsen en strenae, takjes waaraan gedroogde vruchten hingen.
Naast de dag van het solstitium was 25 december ook de geboortedag van de god Mithras. Deze god kwam oorspronkelijk uit Perzië en in de vierde eeuw v.Chr. begon de Mithrascultus al de andere godencultussen in Perzië over te nemen. In de eerste eeuwen van onze jaartelling verspreidde de Mithrascultus zich over het Romeinse Rijk waar het heel erg populair werd. Het resultaat was dat Rome op de Dies Invicti Solis, ‘de dag van de onoverwinnelijke zon’, de lichtbrengende Mithras met een passend lichtfeest eerde, vol fakkels en vreugdevuren. Mithras was van oorsprong echter geen zonnegod, maar in die vorm maakte hij wel snel furore in de Romeinse tempels. Keizer Diocletianus gaf in 308 Mithras zelfs de hoogste eer als beschermer van het Rijk. Waarschijnlijk zou Mithras alle andere Romeinse goden verdrongen hebben, ware het niet dat keizer Constantijn enkele jaren later voor het christendom opteerde en alle offers en rituelen van de Mithrascultus verbood. In de loop van de vierde eeuw werden trouwens alle Mithrastempels in het Romeinse Rijk vernietigd. Het vroege christendom had namelijk heel wat gemeen met de Mithrascultus. Jezus werd door de vroege christenen namelijk net als Mithras vergeleken met de zon en ook het christendom bestreed alle andere goden. Door deze en andere gelijkenissen was de Mithrascultus een doorn in het oog voor het prille christendom. Juist daarom stelde Constantijn in 321 de zondag in als dag voor alle religieuze activiteiten, terwijl de Romeinen, evenals de joden, daarvoor de zaterdag hadden bestemd.

yule81 (Bron: http://www.magickalgraphics.com/yule12.htm)

Het Germaanse joelfeest

Alle Indo-Europese volkeren vierden rond de winterzonnewende een groot feest, dat meestal enkele dagen duurde. Het Germaanse joelfeest duurde dan ook twaalf nachten en dertien dagen lang, die aanvankelijk vanaf de eerste volle maan na de winterzonnewende werden geteld. In principe duurde het van 24 december tot 6 januari en het begin van het joelfeest was uiteraard de winterzonnewende zelf. De winterzonnewende zelf duurde tijdens de nacht, de dag ervoor stond het feest geheel in het teken van de wedergeboorte van Freyr, de god van groei en licht. De dag erna was Freyr weer volwassen en begon met een feestelijke paardenrit, want Freyr was de bekwaamste onder de ruiters. Het joelfeest speelde zijn grootste rol in Noord-Europa, omdat de winters er langer en kouder waren dan in het zuiden, maar toch bleef het joelfeest ook in Midden-en Zuid-Europa een belangrijk moment.
Het begin van de winter was overal in Europa een zeer voornaam moment. De geesten van de overledenen zouden op dat moment terug keren naar de aarde, naar hun voormalige woonplaats. Deze geesten zouden op het toneel verschijnen aan het begin van de winter en zouden pas weer verdwijnen na het wintersolstitium. De joeltijd was een keerpunt in het jaar, dus moest men ook bij de Germanen overvloedig eten en drinken. Werd dit niet gedaan, dan zou men het komende jaar honger lijden. Net zoals bij de Romeinen werkte niemand en dat voor twee weken. Het zogenaamde joel drinken met mede of bier hoorde ook bij het feestgebeuren, net zoals het feit dat iedereen zoveel mogelijk lawaai maakte door op trommels of ketels te slaan of op hoorns te blazen en dat om de geesten weg te jagen.
Ook het zonnerad nam een centrale plaats in tijdens het joelfeest. De joel of het wiel bestond uit een cirkel met vier, zes of acht spaken en werd toegeschreven aan Wodan. Het stond niet alleen symbool voor de zon, maar was ook het licht voor de geest. Tijdens het joelfeest werden er geen wielen gebruikt, omdat men dit als beledigend beschouwde voor de zon. Er mocht ook geen strijd of oorlog zijn en omdat de natuur in vrede leefde, mocht er ook absoluut niet gejaagd of gevist worden. Ter ere van de zon ontstak men wel grote vreugdevuren, die uit zichzelf ontvlamd moesten zijn en dus niet ontstoken door een ander vuur. Deze vreugdevuren brandden twaalf dagen en nachten lang.
Voorts stond ook de vruchtbaarheid centraal tijdens het joelfeest. De Germanen omgaven zich met groen en takken en probeerden de vruchtbomen uit hun wintersluimer te doen ontwaken. Men deed dit door met takkenbossen en zwepen op de bomen te slaan zodat ze wakker zouden worden en zoveel mogelijk sappen uit de grond zouden trekken, zodat ze een rijke oogst zouden voortbrengen. Strobanden waren rond de bomen gebonden, om warmte en bijgevolg ook groeilust te brengen. De midwinter was ook een heilige nacht, omdat de goden dan de mogelijkheid gaven een glimp van de toekomst te ontvangen, ook al was dit niet zonder gevaar.

220px-Feuerrad_aus_Stroh Een brandend joel- of zonnerad tijdens het joelfeest (Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Joelfeest)

De overgang van de heidense festiviteiten naar het christelijke kerstfeest verliep geleidelijk. Het was vooral Augustinus die de gelovigen de opdracht gaf een groot deel van de bestaande gebruiken aan te houden, maar nieuwe betekenissen en christelijke waarden met de oeroude rituelen te verbinden. Overigens, in het vroege christendom was de geboorte van Jezus helemaal niet zo belangrijk: vooral zijn kruisdood en verrijzenis waren het middelpunt van het vroege christendom. Er werd zelfs betwist wanneer Jezus eigenlijk geboren zou zijn, maar tenslotte werd de definitieve datum van Jezus’ geboorte 25 december, waardoor de kerk de heidenen weer heel gemakkelijk kon bekeren… Veel van de gebruiken rond kerst, stammen nog uit die heidense cultuur. Vandaag gaan we het vooral hebben over de kerstboom, de maretak en de hulst.

De kerstboom

mooie-brandende-kerstboom-buiten-in-de-sneeuw-hd-kerst-wallpaper De welbekende kerstboom (Bron: http://exclusief4man.com/Home/Archief/59143/een-goede-kerstboom-koop-je-niet-zomaar-overal.html)
De kerstboom is het meest verweven met kerst. Een kerst zonder kerstboom is volgens velen geen echte kerst. De kerstboom is dan ook in de eenentwintigste eeuw niet weg te denken uit de huiskamer en is alomtegenwoordig in het straatbeeld. En toch heeft deze boom weinig of niets met Christus te maken. Vandaar dat de kerstboom lange tijd door de kerk verguisd geweest is als heidens symbool. Met andere woorden, als we een spar kopen om hem thuis te versieren, doen we feitelijk aan oude heidense boomverering.

Boomverering

In het verleden was de boom bij vrijwel alle culturen en volkeren het symbool voor de vruchtbaarheid en de bron van alle levenskracht. In de Oudheid associeerde men al de bomen met de goden. Zo hoorde de laurier aan Apollo toe, de mirte aan Venus en de eik aan Jupiter. De Germanen kenden ook goddelijke eigenschappen aan natuurelementen zoals bronnen en bomen. De Keltische druïden voltrokken allerlei bezweringen en rituelen rond heilige bomen. Als men een boom aanraakte, betekende dit zoveel als eerbied tonen voor de goden. Men kon zo een gunst vragen of een god bedanken voor een in vervulling gegane wens. Men beschouwde de bomen zelfs als levende wezens (wat ze strikt gezien ook zijn) en als men een boom omkapte, vroeg men de boomgeest om vergeving. Men geloofde tevens, ook in onze contreien, dat je kwalen en ziektes kon genezen door het aan een boom ‘vast te spijkeren’. Hieruit kwam het bijgeloof om hout af te kloppen voort, wat overigens een populair gezegde werd. Hout afkloppen of vastnemen zou effectief zijn omdat het de boze geest zou opnemen. Dit gezegde heeft evenwel ook christelijke wortels. Na overmoed werd een houten kruis aangeraakt, ter herinnering aan het feit dat Jezus ons tot nederigheid zou opgeroepen hebben. 

Het vereren van bomen drong ook goed door in Nederland en België. In het verleden maakten tal van wegen in onze contreien en elders een bocht om een boom te sparen en werden er bij bomen geknield gebeden opgezegd. De boomverering blijkt ook uit tal van plaatsnamen die op ‘lo’ eindigen (Westerlo, Tongerlo…) of die gewoon Lo(o) heten. Het Germaanse lo betekent dan ook ‘een (heilig) bos met laag geboomte waar stukken open weideland in liggen’. Vroeger was een open plek in een heilig bos ook vaak een heilige plaats. Het Vlaamse Lochristi betekent overigens ‘een aan Christus gewijd heiligdom’, dat in lang vervlogen tijden een heiligdom voor een heidense god is geweest.

De altijdgroene dennenboom of moeten we sparreboom zeggen?

Binnen deze boomverering kwam er een soort boom steeds meer op de voorgrond: de dennenboom en bij ons de spar. Dit blijkt o.a. door zeer oude afbeeldingen uit Babylon en Egypte. In een afbeelding uit Babylon is de god Nimrod met een groenblijvende tak in zijn hand te zien. Zijn vrouw Semirames leerde de mensen na zijn dood om de dennenboom te eren als symbool voor haar man, de zonnegod. De Egyptische afbeelding dateert uit 1400 v.Chr. en toont de Egyptische godin Noet onder een dennenboom terwijl ze goede gaven uitdeelt aan de armen. Ook in Rome was de dennenboom een heilige boom.
Het zetten of plaatsen van de spar als kerstboom komt dus voort uit heidense wortels en een diep en wijdverspreid geloof in de kracht van de natuur. Ongeveer twaalfhonderd jaar geleden was niet de spar of dennenboom de heilige boom bij uitstek voor de Germanen, maar de eik. Toen geprobeerd werd de Germanen te bekeren tot het christendom, wilden ze evenwel hun boomverering niet opgeven. Dus moest de eik maar de plaats ruimen voor de spar. Waarom de spar? Omdat de driehoekige vorm ervan de heilige drie-eenheid voorstelde volgens de kerk: God de vader bovenaan en Jezus en de Heilige Geest op de onderste punten.
Het kwam de Germanen overigens goed uit dat een van de punten aan de Heilige Geest werden toegeschreven, zo konden ze stiekem hun boomgeesten blijven eren en dat onder het mom van de Heilige Geest. Bovendien was de spar een groenblijvende boom, iets wat volgens de Germanen wees dat de boomgeesten zulke bomen nooit verlaten. Om de terugkeer van boomgeesten te bespoedigen zodat er weer bladeren en vruchten zouden groeien, versierden de Germanen hun bomen met stenen of gekleurde stoffen. Uiteraard was dit niet nodig bij de spar, en zo werd de spar ook voor hen heel heilig.
De Germanen beschouwden twee middelen als uitermate geschikt om de winterse demonen angst in te boezemen. Enerzijds groenblijvende planten en groene takken van bomen die hun levenskracht konden overdragen op dier en mens. Anderzijds het licht dat niet alleen de winternacht minder kil en duister maakte, maar eveneens de geesten de stuipen op het lijf joeg door zijn glans. De verlichte, groenblijvende kerstboom vormde een ideale combinatie van beide en dus via samenloop van omstandigheden, werd het de ideale manier om Christus in heidense, Germaanse huizen te brengen.

Het echte plaatsen van de kerstboom ontstond in de Elzas en het Zwarte Woud in Duitsland ergens in het begin van de zestiende eeuw. In veel landen duurde het tot de zeventiende eeuw en elders soms nog langer eer de kerstboom geaccepteerd werd als kerstritueel. In onze contreien dateert de eerste vermelding van de kerstboom uit de jaren dertig van de negentiende eeuw. Halverwege de negentiende eeuw speelden de pas opgerichte orthodox-protestantse scholen erop in door de kerstboom te gebruiken om er cadeautjes voor de arme kindjes onder te leggen. Dit voorbeeld werd na 1900 gevolgd door de katholieke scholen. Van daar zette de opmars van de kerstboom voort naar de woonkamers van Nederland en België. Er kwam nog regelmatig verzet tegen de kerstboom, maar na WOII had de verspreiding van de kerstboom in onze contreien definitief ingezet en zette men steeds meer een kerstboom in huis tijdens de kerstperiode.

Het versieren van de kerstboom: kerstballen, slingers en piek

Het versieren van onze kerstboom heeft overigens ook diepere heidense wortels dan dat men zou denken. Zoals we al eerder hebben aangehaald, versierden en beschilderden onze voorouders de kaal geworden bomen, om ze zo aantrekkelijk te maken voor de boomgeesten die waren vertrokken. In het oude Babylon werden daarvoor afbeeldingen van zon, maan en sterren gebruikt. Voorts gebruikte men ook slingers van bloemen als offer voor de boomgeest. De Kelten schrokken er niet voor terug om dode vogels te hangen in hun offerboom en er bestonden poppen die men in bomen hing die dan symbool stonden voor een mensenoffer.
De eerste getuigenissen van het versieren van de kerstboom komen weer uit de Elzas. In de stad Turkheim, waar veel wijnbouwers en kooplieden waren, werden aantekeningen gevonden van tussen 1597 en 1669 gevonden, waarin sprake was van het zich aanschaffen van ouwels, appels, gekleurd papier en draad als decoratiemateriaal. Vanaf het moment dat de kerstboom zijn opwachting maakte in de woonkamer, kwam er meer variëteit in de decoratieartikelen: fruit, papieren rozen, glazen kralen, snoepgoed en kaarsen.
Maar hoe zit het nu met de kerstbal? Waar komt die vandaan? Dat is een nogal merkwaardig verhaal. Het verhaal van het onstaan van de kerstbal begint in het Duitse Bohemen, waar in de zeventiende eeuw glasfabrieken tot bloei kwamen. Tijdens een lange werkdag hadden bepaalde Boheemse glasblazers te veel gedronken en men besloot om een wedstrijd te houden om te bepalen wie de grootste glazen bal kon blazen. Na afloop werden de ballen gelaten zoals ze waren. Hun vrouwen vonden echter de glazen ballen en zij besloten ze te verkopen op de plaatselijke kerstmarkt als nieuwigheidje. De glazen ballen werden thuis in de deur-en vensteropeningen gehangen en men schreef er magische krachten aan toe. Men noemde ze geestballen omdat men dacht dat door de weerspiegeling van het glas de boze geesten vlug het hazenpad zouden kiezen. De eerste kerstballen waren te zwaar en te groot om in de kerstboom te hangen, maar daar vonden de Boheemse glasblazers vlug een oplossing voor. Ze creeërden kleine ballen met een bevestiging eraan zodat ze in de boom konden worden opgehangen en dat in alle mogelijke kleuren. In de negentiende eeuw kon men dankzij geavanceerde technieken met gemak zulke kleine ballen met zeer dunne wanden maken. De Boheemse kerstballen werden naar de rest van de wereld uitgevoerd. De moderne kerstbal was geboren…
Slingers hangen in de bomen vindt eveneens zijn oorsprong in Duitsland. Daar ontwikkelde men in de zeventiende eeuw een goedkope versie van de Franse slingers, die een eeuw daarvoor het licht hadden gezien in Lyon, waar ze werden gebruikt om militaire kostuums te decoreren. In het decoratiemateriaal van de kerstboom is religieuze decoratie eerder zeldzaam. Het bekendst is natuurlijk de engel die vaak aan de top van een kerstboom hangt, en daarnaast de piek, die een verwijzing is naar de ster die de drie koningen leidde. In Engeland is het dan weer een fee die de top van de kerstboom mag versieren. De beeltenis van de fee was enkele honderden jaar geleden begonnen als een religieuze afbeelding van het kindje Jezus, maar werd in de loop van de tijd veranderd in een modern, niet-religieus beeldje.

Verlichte kerstbomen

Het idee om de kerstboom te verlichten met kaarsen zou van Maarten Luther komen. Hij zou op dit idee gekomen zijn om kinderen er aan te herinneren dat de geboorte van het kind Jezus het licht in de wereld bracht. De inspiratie hiervoor werd gehaald bij de joelkaars, die tot doel had om de geboorte van de zon bij het begin van het nieuwe jaar te eren en haar tegelijktertijd aan te sporen de natuur te verwarmen. Het prille christendom transformeerde dit naar Christus en zag zelfs een verband tussen de kaars en de ster van Bethlehem.
Door de jaren heen namen elektrische lampjes de plaats van de kaarsen in. Deze lampjes doken voor het eerst op in 1882 in New York, waar een werknemer van Thomas Edison snoeren gekleurde lampjes gebruikte om zijn kerstboom te verlichten. Zo’n tien jaar later werden deze lampjes beschikbaar voor iedereen en nog later kwam er een verscheidenheid aan lampjes, waaronder ook Japan aan meedeed natuurlijk.

De maretak en de hulst

Mistletoe_with_berries De maretak (Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Viscum)

Over de mistletoe of de maretak in de kersttijd doen er verschillende verhalen de ronde. De officiële christelijke legende leert dat Christus’ kruis werd vervaardigd van een grote mistletoeboom. Na diens kruisiging krompen alle andere soortgenoten in elkaar van schaamte en waren gedoemd om verder te leven als parasiet op andere bomen. Vandaar dat de christelijke kerk nooit iets van deze plant heeft willen weten. De druïden daarentegen zagen de maretak als een heilige plant, zeker als hij werd aangetroffen op hun heiligste boom, de eik. Er zou dan een heus ritueel hebben plaatsgevonden om de maretak te pakken te krijgen, zodat ze er een drankje van konden maken die de vruchtbaarheid van de veestapel ten goede moest komen.
Ook vrouwen geloofden dat het bij zich dragen van de maretak de kansen op zwangerschap vergrootten. Voorts gold de maretak als symbool voor vrede en vriendschap. Het kussen onder de maretak met kerst maakte ooit deel uit van een oude huwelijksceremonie en beperkte zich tot de Engelstalige wereld. Een maagd die niet onder de maretak gekust werd, zou het komende jaar niet trouwen. Jongemannen was het geoorloofd om een onder de maretak staand meisje te kussen, om vervolgens een besje van de maretak te plukken. Ze mochten blijven zoenen totdat de maretak kaalgeplukt was. Een takje van de maretak moest overigens de boze geesten en krachten buiten houden en zo waren er nog wel gebruiken rond de maretak.
Ook hulst hoort bij kerstmis. Evenals maretak en klimop brengen zij vruchten voort in de winter, daardoor waren ze allemaal heel erg belangrijk voor de druïden. Onze voorouders geloofden dat als ze hulst in huis haalden, ze konden achterhalen wie het komende jaar de plak zou zwaaien in huis. Was de hulst stekelig, dan zou de man de baas zijn, was hij zacht, dan zou de vrouw de plak zwaaien. Volgens de kerk refereert de hulst dan weer aan het lijden van Jezus, vanwege zijn doornen en rode bessen, en zo sloot het aan bij het geboortefeest van Jezus. De klimop daarentegen kreeg nooit een thuis in de kerk, want de Romeinse drankgod Bacchus had er zijn krans van gevlochten…

Ilex-aquifolium_(Europaeische_Stechpalme)-2 De hulst (Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hulst_%28plant%29)

Andere levensbeschouwingen

De orthodoxen

Om Christus zijn geboorte te vieren, plaatsen de orthodoxen thuis een jonge eik, die men op kerstavond laat opbranden. Terzelfdertijd gooit men stro op de grond. Men houdt een gebedsdienst, die afgesloten wordt met een feestelijke maaltijd. De eerste bezoeker op de ochtend van kerstmis krijgt in heel wat Oost-Europese landen een belangrijke rol toebedeeld. Hij symboliseert de schaapherders aan wie de eer toekwam om de geboorte van Jezus te verkondigen. Chesnica, hazelnootkoeken, worden gebakken op kerstdag en er wordt een zilveren of gouden (geld)stuk in gestoken. Tijdens het kerstmaal worden ze aangesneden en degene die het stuk heeft, zal in het komende jaar geluk hebben.

Het jodendom

Chanoeka, een minder belangrijk feest, duurt acht dagen en herdenkt een nabijbelse gebeurtenis, namelijk een succesvolle opstand van de joodse nationalisten, de Makkabeeërs, tegen hun Griekse overheersers. Deze overwinning was al een wonder op zich, maar wat nog vreemder was en wat Chanoeka de naam Inwijdingsfeest heeft gegeven, was het feit dat een lamp in de tempel met slechts voldoende olie voor een dag, acht volle dagen bleef branden. In de meeste gezinnen heeft men een kandelaar, de menora, met plaats voor acht kaarsen. Elke avond steekt men een kaars meer aan. Men ziet Chanoeka vaak als het symbool van de voortdurende strijd tussen het jodendom en andere beschavingen. Maar met evenveel recht kan men stellen dat Chanoeka zich in zeker opzicht juist heeft weten te handhaven in de westerse wereld als gevolg van het feit dat het feest meestal samenvalt met kerstmis. De aantrekkelijkheden van kerstmis vindt men ook terug bij het joodse Chanoeka, hoewel de feesten niets met elkaar van doen hebben omdat de inhoud totaal verschillend is. Ook Chanoeka kent zijn specifieke liedjes en lichtjes. De gewoonte van het geven van Chanoeka-geld aan kinderen is in sommige kringen uitgegroeid tot een uitwisseling van geschenken onder de hele familie. In Nederland wordt er een beetje spottend gesproken over Chrisnoeka. Door de Reform Synagoges wordt het gepromoot als een nuttige tegenhanger van het kerstgebeuren, maar officieel wordt het door de traditionalisten niet geaccepteerd. Sommigen gaan zelfs nog een beetje verder en halen een kerstboom in huis, steunend op de overtuiging dat dergelijke bomen prechristelijke, heidense wortels hebben.

De islam

Het feest van de geboorte van Mohammed, al-Mawlid an-Nabawî, is vooral een volksfeest, maar het heeft niet de impact van kerstmis. De geboortedag van de profeet valt op de 12de van de eerste maand Rabie. Zowel thuis als in de moskeeën, die tot laat verlicht zijn, wordt de profeet bezongen. In de moskeeën doen de religieuze leiders de diverse aspecten van Mohammed uitvoerig uit de doeken. In sommige landen zijn straten, moskeeën en openbare gebouwen versierd met kleurrijke vlaggen en wimpels. Bovendien zijn ze de hele nacht door verlicht. Devote moslims geven grote sommen geld voor liefdadigheid. In sommige steden trekken grote processies erop uit, waarbij de deelnemers al jubelend verzen zingen waarin Mohammed geloofd wordt. Griesmeel met honing, volgens de overlevering het favoriete voedsel van Mohammed, staat samen met allerlei zoetigheden op het menu. Voorts worden tijdens de festiviteiten rijst en vleesschotels geserveerd en verdeeld onder de armen. Toch is de omvang en de uitbundigheid van het feest eerder restrictief, omdat dezelfde dag eveneens het gedenken is van Mohammeds sterfdatum.

Het hindoeïsme

Het hindoeïsme viert het geboortefeest van de god Krishna tijdens de Jammashtami. Het feest valt ergens in augustus-september. Alle tempels en vele huizen worden feestelijk en smaakvol versierd. Het feest van Ramnavani wordt in India gevierd ter herdenking van de geboorte van Shri Rama. Op deze dag worden de tempels gedecoreerd, religieuze uiteenzettingen gehouden en wordt de Ramayana, het levensverhaal van Rama, in de meeste hindoegezinnen voorgelezen. Shivratri is een nationaal eerbetoon aan Shiva. Gelovigen vasten overdag en houden ’s nachts een wake in de Shivatempels. Voorts wordt de geboortedag van Ganesh Chaturthi nationaal gevierd met een stoet met reusachtige beelden van Ganesh. Makara Sankrant wordt door de hindoes in heel India dan weer onderhouden als het wintersolstitium, de bakermat van ons kerstfeest. De dag wordt doorgebracht in gebed en in de staat Maharashtra wordt een speciale zoetigheid gemaakt van sesamzaden, die het leven symboliseren. Hindoes in andere staten van Zuid-India vieren Pongal, dat samenvalt met de winterzonnewende of de intrede van de zon in het teken van de Steenbok. Het is een belangrijk herfstfeest dat drie dagen duurt. Maar het hindoeïstische feest dat de meeste overeenkomsten toont met ons kerstfeest, is Divali. Want tijdens Divali primeren de existentie, het leven en het licht. Tijdens Divali toont een hindoe zijn respect voor het leven zoals het is. Men waardeert dat men nog leeft en over voldoende middelen beschikt om het leven waar te maken. 

Het boeddhisme

Tijdens het Hana Matsuri-feest wordt Boeddha’s geboorte gevierd volgens de overlevering van het zenboeddhisme. In Japan worden beelden van het boeddhakind gewassen met een speciale zoete thee, gemaakt van hortensiabladeren. In grote tempels nemen heel wat priesters deel aan deze rituelen. Vaisakhapuja of Vesak is het belangrijkste feest in het theravada-boeddhisme, waarbij geboorte, verlichting en dood uit het leven van Boeddha herdacht worden. In alle theravada-boeddhistische landen wordt het feest gevierd met veel kleur en vrolijkheid. Huizen worden schoongemaakt en aangekleed. Boeddhisten bezoeken tempels om offers te brengen en de beelden van Boeddha worden gewassen met geparfumeerd water. Straten en huizen worden verlicht met kaarsen en in Sri Lanka zijn er diverse straatactiviteiten met praalvertoon. In Thailand worden de festiviteiten meestal besloten met kaarsenprocessies rond de lokale tempels.

Wicca’s en andere heksen

Yule of joel wordt de dag van vandaag gevierd door de nieuwe heidenen, in het bijzonder door de wicca’s en andere heksen. Hoewel de joelfeesten oorspronkelijk niet echt op 21 december werden gevierd, vieren de meeste nieuwe heidenen en heksen het wel op die dag. Een van de redenen is eentje uit het verleden: toen men in de meeste Europese landen van de Juliaanse kalender naar de Gregoriaanse kalender overging, veranderde de winterzonnewende van 25 december naar 21 december. Zodoende vinden de nieuwe heidenen en heksen het gemakkelijker Yule nu elk jaar op 21 december te vieren, ook al varieert de eigenlijke tijdsperiode van de winterzonnewende elk jaar.
In de wicca staat de winterzonnewende net zoals in lang vervlogen tijden voor de overwinning van de zon op de winter. In hun religie geeft de Heer van de Hulst, die staat voor het winterse seizoen, de heerschappij over aan de Heer van de Eik, die de zomer vertegenwoordigt.

Volgende week gaat Kavita het o.a. hebben over de kerstman, waar kerstkaarten vandaan komen, hoe Kerstmis gevierd wordt in andere landen enzovoort. Veel plezier!

Lynn

BRON: Een jaar vol feesten: oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten
auteur: Bart Lauvrijs
             uitgegeven door Standaard Uitgeverij (2004)